13 november 2019
Ontbinding

Als je met iemand een overeenkomst sluit, ga je er vanuit dat diegene de overeenkomst ook nakomt. Toch komt het geregeld voor dat één of meerdere partijen tekortschieten in de nakoming van een overeenkomst. Soms is de tekortkoming dermate ernstig dat de wederpartij de overeenkomst wenst te ontbinden. In een overeenkomst kunnen afspraken zijn opgenomen over ontbinding, maar ook de wet biedt bij een tekortkoming de mogelijkheid de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. In dit artikel gaan wij slechts in op de ontbindingsmogelijkheid die uit art. 6:265 BW van de wet voortvloeit. Uit de praktijk blijkt dat het leerstuk van ontbinding veel vragen met zich brengt. In dit artikel belichten wij enkele aspecten van het leerstuk én bespreken wij jurisprudentie ten aanzien van ontbinding.

Juridisch kader
In de wet is in art. 6:265 BW opgenomen dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van één van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Om een overeenkomst te mogen ontbinden moet er sprake zijn van een voldoende gewichtige tekortkoming, die de ontbinding rechtvaardigt. Er lijkt zodoende sprake te zijn van een hoofdregel met een uitzondering; hierover later meer.

In beginsel kunnen partijen bij een wederkerige overeenkomst het recht om de overeenkomst te ontbinden verkrijgen. Een wederkerige overeenkomst is een overeenkomst waarbij beide partijen een verplichting hebben om een prestatie te leveren. In sommige gevallen kan het recht op ontbinden ook ontstaan als er geen sprake is van een wederkerige overeenkomst, maar wel van een nauwe samenhang tussen verplichtingen van de betrokken partijen. Een overeenkomst ontbinden kan door een schriftelijke verklaring of door een vonnis van de rechter.

Ontbinding heeft geen terugwerkende kracht; de overeenkomst eindigt vanaf het moment van ontbinden. Partijen kunnen in een overeenkomst wel afwijkende afspraken opnemen over de terugwerkende kracht of goederenrechtelijke werking van de ontbinding. Deze afspraak geldt alleen voor de bij de bewuste overeenkomst betrokken partijen. Wanneer de overeenkomst is ontbonden zijn partijen vanaf dat moment bevrijdt van hun nog niet nagekomen verplichtingen. Daarnaast zijn partijen verplicht de prestaties die zij hebben verricht ongedaan te maken; de situatie dient zo veel mogelijk in de oude toestand te worden hersteld. Het kan ook zijn dat de tekortkomende partij schadeplichtig is.

Hoofdregel met uitzondering
De Hoge Raad heeft in het Eigen Haard-arrest antwoord gegeven op prejudiciële vragen die zagen op het ontbindingsleerstuk. Wij schreven hier eerder dit artikel over. De Hoge Raad heeft met de antwoorden op de gestelde prejudiciële vragen duidelijk gemaakt dat art. 6:265 lid 1 BW bestaat uit een systeem van een hoofdregel met een uitzondering. De uitzondering houdt in dat slechts een tekortkoming van voldoende gewicht recht geeft op gehele of gedeeltelijke ontbinding, aldus de Hoge Raad. Degene die de overeenkomst wenst te ontbinden dient zich op zijn ontbindingsbevoegdheid te beroepen. Het is vervolgens aan de wederpartij om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat zich omstandigheden voordoen die de tenzij-uitzondering van toepassing maken. Alle omstandigheden van het geval wegen mee in de beoordeling of de tenzij-uitzondering van toepassing is en geen omstandigheid komt een beslissend karakter toe. Dat alle omstandigheden meewegen is in lijn met eerdere jurisprudentie. Ook gebreken (lees: tekortkomingen) die na de ontbindingsverklaring aan het licht komen kunnen de ontbinding rechtvaardigen.

Gebreken na het uitbrengen van de ontbindingsverklaring
De Hoge Raad heeft in een ander arrest geoordeeld dat indien een buitengerechtelijke ontbindingsverklaring is uitgebracht en ten tijde daarvan een bepaald gebrek van de afgeleverde zaak nog niet aan het licht was getreden, ook dit gebrek alsnog van belang kan zijn voor de beoordeling of de ontbinding gerechtvaardigd is. Voorwaarde is dat ook ten aanzien van dit gebrek is voldaan aan de eisen voor ontbinding. Het nieuwe gebrek kan op zichzelf of in samenhang met de in de ontbindingsverklaring genoemde gebreken de ontbinding rechtvaardigen. Het komt voor partijen in dit geval met name neer op het bewijzen van de aan- of afwezigheid van een bepaald gebrek op een specifiek moment. Het lijkt alsof een eerdere ‘onrechtmatige’ ontbindingsverklaring in dit geval ook rechtmatig kan worden gemaakt door later aan het licht gekomen gebreken. Het later aan het licht gekomen gebrek kan namelijk maken dat aan de vereisten van ontbinding is voldaan.

Voorshands oordeel door het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
Het Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch (hierna: “Gerechtshof“) verwees naar het hiervoor beschreven arrest van de Hoge Raad. In de zaak bij het Gerechtshof gebeurde nog iets anders opmerkelijks ten aanzien van ontbinding. Tussen partijen was er sprake van een overeenkomst van opdracht. De opdrachtnemer twijfelde aan de rechtsgeldigheid van de betalingen die aan hem waren gedaan. Op enig moment heeft de opdrachtnemer de overeenkomt ontbonden in verband met de gerezen twijfel omtrent de betalingen. Het Gerechtshof mocht zich uitlaten over de vraag of de ontbinding van de overeenkomst gerechtvaardigd was.

Uit het arrest blijkt dat het Gerechtshof gebruik heeft gemaakt van een zogenaamde ‘voorshandse beoordeling’. Dit houdt in dat het Gerechtshof aanneemt dat iets het geval is en zonder tegenbewijs hiervan uit blijft gaan. Het Gerechtshof heeft zodoende voorshands beoordeeld of de ontbinding gerechtvaardigd is. Aangezien voorshands wordt beoordeeld dat de betalingen niet zijn gedaan met de bedoeling om de verbintenis te voldoen en de wederpartij hiertegen geen tegenbewijs heeft kunnen leveren, is het Gerechtshof van oordeel dat de opdrachtgever is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichting. Een daadwerkelijk gebrek zowel ten tijde van de ontbindingsverklaring als ten tijde van beoordeling van het Gerechtshof is zodoende eigenlijk niet feitelijk vast komen te staan. Dit is slechts op voorhand aangenomen.

Conclusie
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat art. 6:265 BW bestaat uit een hoofdregel en een uitzondering. Alle omstandigheden dienen te worden meegenomen in de beoordeling of een tekortkoming de ontbinding rechtvaardigt. Ook nieuwe gebreken die na de ontbindingsverklaring aan het licht komen kunnen de buitengerechtelijke ontbinding rechtvaardigen. In dat geval dient ook ten aanzien van die nieuwe gebreken aan de voorwaarden van ontbinding te zijn voldaan. Wanneer uit de feiten nog niet blijkt dat er sprake is van een tekortkoming is er nog ruimte voor de rechter. Door middel van de voorshandse beoordeling kan een ontbindingsverklaring gerechtvaardigd worden.

Alleen al uit deze korte uiteenzetting blijkt dat bij ontbinding verschillende factoren een rol kunnen spelen. Het leerstuk omvat nog veel meer onderwerpen die van belang zijn en besproken kunnen worden. Heeft u te maken met een tekortschietende partij bij uw overeenkomst? Of wilt u meer weten over ontbindingsmogelijkheden? Neem gerust contact met ons op.

Contactinformatie
Björn de Smit, Advocaat Aanbestedingen, Bouw en Contracten
E-mail: desmit@marxman.nl / Telefoonnummer: 033 450 8000

Jasminke Meester, Juridisch medewerker Aanbestedingen, Bouw en Contracten
E-mail: meester@marxman.nl / Telefoonnummer: 033 450 8000